Blog · 15 oktober 2026 · 6 min lezen

Niet elke foute noot verdient een repetitie

Sommige fouten zijn informatie. Andere zijn gewoon vrijdagavond.

Een van de vervelendste gevolgen van beter worden in dirigeren is dat er steeds meer mis is. Niet echt natuurlijk. Mijn orkest speelt niet ieder jaar slechter.

Ik hoor gewoon meer.

Een inzet die niet helemaal samen zit. Een akkoord waarin iets wringt. Een articulatieverschil. Een tegenstem die verdwijnt. Een drummer die net niet in de juiste feel zit.

Vroeger hoorde ik sommige van die dingen niet. Dat was eigenlijk bijzonder efficiënt.

We speelden. Ik hoorde een groot probleem. Ik stopte. We losten het op. Verder.

Heerlijke tijden.

Nu kan een orkest acht maten spelen en heeft mijn hoofd ondertussen een boodschappenlijstje gemaakt.

Trompetten korter. Hoorns meer. Bas te laat. Klarinetten verdwijnen. Iemand heeft daar zonet een noot gespeeld die volgens mij zelfs niet in deze toonaard bestaat.

Dus steek ik mijn handen omhoog.

Stop. En daar begint het probleem.

Stoppen werkt

Dat maakt het zo verleidelijk.

Als ik vijf minuten op vier maten werk, zijn die vier maten daarna bijna altijd beter. Nog vijf minuten en misschien worden ze echt goed.

Dat voelt als uitstekend dirigeren. Ik hoor iets, geef een aanwijzing, het orkest reageert en er is onmiddellijk resultaat.

Alleen kijk ik vervolgens naar de klok en blijkt dat ik negentien minuten bezig ben geweest met een overgang waarvan ik vooraf niet eens wist dat ik er een mening over had.

Blijkbaar had ik er een. Een sterke.

En mijn repetitieplanning kan de vuilbak in.

Ik kom namelijk altijd tijd tekort. Voor een deel omdat ik, zoals waarschijnlijk iedere dirigent, structureel geloof dat twee uur voldoende is voor ongeveer vier uur werk.

Maar ook omdat ik het moeilijk vind om iets fout te horen en er niets mee te doen.

Want ik heb het gehoord. Ik weet dat het beter kan. En dan zou ik gewoon verder dirigeren?

Steeds vaker denk ik: ja.

Soms was het gewoon een do

Een muzikant speelt een verkeerde noot.

Misschien begrijpt die iets niet. Misschien heeft die thuis verkeerd geoefend. Misschien staat er iets onduidelijk genoteerd.

Maar er bestaat nog een mogelijkheid. Die mens heeft gewoon een verkeerde noot gespeeld.

Het is vrijdagavond. Er zit een werkweek op. Iemand heeft file gehad, een kind van school gehaald, nog snel gegeten, acht mails niet beantwoord en is vervolgens met zijn instrument bij mij komen zitten.

En dan gebeurt er in maat 63 iets spectaculairs. Een si wordt een do.

Niet iedere do hoeft een pedagogisch moment te worden.

We hebben daar binnen mijn orkest ondertussen een simpele afspraak over. Als je zelf merkt dat je een fout hebt gemaakt: steek even je hand op.

Niet als publieke schuldbekentenis. Gewoon: ik weet het.

Meer hoef ik soms niet te weten.

Ik heb de fout gehoord. De muzikant heeft de fout gehoord. Die neemt zelf de verantwoordelijkheid om indien nodig iets op zijn partij te schrijven of er thuis naar te kijken.

We spelen verder.

Soms hoeft zelfs dat niet. Dan kijk ik gewoon even naar de persoon die iets verkeerd speelde. Die kijkt terug. Een kleine knipoog.

Ik heb het wel gehoord hoor. Klaar.

Stoppen kost momentum

Dat ben ik steeds belangrijker gaan vinden.

Iedere keer dat je een orkest stopt, breekt er iets.

Instrumenten gaan naar beneden. Mensen zakken terug in hun stoel. Iemand legt zijn partituur recht. Er wordt gehoest. Een slagwerker vindt plots een dringende reden om ergens op te tikken.

En daarna moet je vijftig mensen opnieuw verzamelen en proberen dezelfde energie terug te vinden die je zelf hebt stilgelegd.

Soms is dat het absoluut waard.

Omdat de groep iets verkeerd begrijpt en het anders nog tien keer verkeerd gaat oefenen. Omdat één correctie een structureel probleem oplost.

Omdat het over stijl gaat en iedereen er iets uit kan leren.

Omdat we collectief op weg zijn naar een muzikaal ravijn.

Stop.

Maar soms is mijn enige reden: ik heb iets fout gehoord.

Dat is geen reden.

Sommige fouten zijn informatie. Andere zijn gewoon vrijdagavond.

Dat onderscheid probeer ik steeds beter te maken.

Een verkeerde noot die een keer gebeurt en waarvan de muzikant zelf schrikt? Verder. Dezelfde verkeerde noot drie repetities na elkaar? Misschien eens kijken wat daar aan de hand is.

Iemand mist een inzet omdat die twee tellen zat te dromen? Kan gebeuren. Een hele sectie komt iedere keer te laat binnen? Dan vertelt de fout mij iets.

Dat is volgens mij het echte werk.

Niet alleen horen dat iets fout gaat. Begrijpen waarom.

Want pas dan weet je of vijftig mensen hun instrument moeten laten zakken.

Ik heb hier uiteraard systemen voor bedacht

Schema’s. Minuten per werk. Kleurtjes in mijn partituur. Doelen per repetitie. Lijstjes met dingen waar ik mezelf onder geen beding door mag laten afleiden.

Dat werkt uitstekend. Tot ongeveer twintig minuten na het begin van de repetitie.

Dan gebeurt er iets wat ik niet voorzien had, blijf ik er zeven minuten te lang op hangen en is mijn zorgvuldig voorbereide planning een historisch document.

Ik vermoed dat ik dit nooit helemaal ga oplossen. Dat hoeft misschien ook niet.

Een goede repetitie is geen draaiboek dat je perfect uitvoert. Je moet reageren op wat er voor je gebeurt.

Maar reageren is iets anders dan alles corrigeren wat je hoort. Dat laatste kan eindeloos.

Soms moet iets gewoon fout blijven

Dit doet nog altijd een beetje pijn om op te schrijven.

Soms hoor ik iets. Ik weet dat het beter kan. Ik weet zelfs hoe.

En ik ga verder.

Omdat het einde van het werk vandaag belangrijker is dan maat 43.

Omdat de groep eindelijk eens de grote lijn moet ervaren.

Omdat iemand eerst thuis iets moet bekijken. Omdat stoppen meer kapot zou maken dan die ene fout.

Of omdat het vrijdagavond is en iemand gewoon een do speelde waar een si stond.

We overleven het.

Dat betekent ook dat ik een repetitie kan beëindigen terwijl er dingen niet goed zijn die ik perfect gehoord heb.

Vroeger voelde dat een beetje als falen.

Nu denk ik dat het misschien gewoon kiezen is.

Horen is niet hetzelfde als leiden

Dat is uiteindelijk waar ik steeds opnieuw uitkom.

Hoe beter je wordt in een vak, hoe meer je ziet wat beter kan.

Ik herken dat ook in mijn professionele werk. Geef mij een website en ik kan vrij snel twintig dingen aanwijzen. Copy. Navigatie. CTA’s. Hiërarchie. Positionering. Dingen waarvan niemand gevraagd had dat ik er een mening over had en waar ik toch met plezier een mening over ontwikkel.

Maar twintig problemen zien is geen strategie.

Strategie begint wanneer je beslist welke twee ertoe doen.

Misschien is dirigeren niet zo anders.

Mijn muzikanten hebben geen behoefte aan een live-uitzending van alles wat mijn oren registreren.

Godzijdank.

Ze hebben behoefte aan de juiste informatie op het juiste moment.

Dus probeer ik tegenwoordig iets waar ik vroeger slechter in was.

Ik hoor een fout. Soms gaat er een hand omhoog. Soms krijg ik een blik terug. Soms weet ik gewoon: die heeft hem zelf.

En dan doe ik iets wat voor een dirigent verrassend moeilijk kan zijn.

Niets.

Ik dirigeer verder.

Niet omdat ik de fout niet gehoord heb.

Maar omdat ik stilaan begin te begrijpen dat niet alles wat beter kan, nu beter moet.